Filips van Marnix van Sint-Aldegonde (1540-1598)

Filips van Marnix van Sint-Aldegonde (1540-1598) werd geboren en getogen in Brussel. Zijn vader was afkomstig uit Savoye en zijn moeder van nabij Bergen. Hij studeerde in Leuven, Parijs, Padua, Dole en Genève, waar hij één van Calvijns eerste studenten was. Later werd hij hoofdadviseur van Willem van Oranje, een hooggeplaatst aristocraat in Brussel en aanvoerder van de opstand tegen het Spaanse bewind. Marnix bereidde in Willems naam de eerste officiële documenten voor die een bepaalde vorm van godsdienstvrijheid erkenden (de Pacificatie van Gent, 1576) en wordt beschouwd als de auteur van het Nederlandse volkslied, het Wilhelmus. Kort voor zijn dood benoemde Willem van Oranje Marnix tot buitenburgemeester van Antwerpen, verantwoordelijk voor de verdediging van de stad. In deze hoedanigheid onderhandelde Marnix met Alexander Farnese over de overgave van Antwerpen (1585), een doorslaggevende factor voor de definitieve scheiding tussen de provincies die later Nederland en België zouden worden. Marnix verhuisde hierna naar Zeeland waar hij een deel van de Bijbel vertaalde van het Grieks en het Hebreeuws naar het Nederlands.
Volgens Paolo Rinaldi, een medewerker van Alexander Farnese die Marnix tijdens de vredesbesprekingen over Antwerpen in Beveren ontmoette, is hij “een eerbiedwaardig edelman, wijs, aardig, welsprekend, ervaren en zeer scherp van inzicht ; hij is sterk onderlegd in het Grieks, het Hebreeuws en het Latijn. Hij begrijpt en schrijft vlot Spaans, Italiaans, Duits, Frans, Vlaams, Engels en nog enkele andere talen, beter dan wie dan ook in deze streken.” Van zijn correspondenties die werden bijgehouden, waren meer dan de helft in het Frans geschreven, 30% in het Latijn, 10% in het Nederlands en de rest in het Italiaans, Duits, Spaans of Engels. (Rudolf De Smet. “Taal, context en conventie in Marnix’ correspondentie” in H. Duits & T. Van Strien eds. (2001). Een intellectuele activist. Studies over leven en werk van Philips van Marnix van Sint-Aldegonde, Hilversum, pp. 37-50).