Meertalig Brussel

1. Wat is het officiële taalregime in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en omstreken ?

De negentien gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn officieel tweetalig, wat betekent dat zowel het Nederlands als het Frans de status van officiële taal heeft. Alle officiële documenten, publieke aankondigingen, straatnamen en verkeersborden moeten dus in het Nederlands en in het Frans beschikbaar zijn. Het openbaar bestuur moet in haar relaties met de burgers Frans of Nederlands gebruiken naargelang hun voorkeur. Bovendien moet het verplicht openbaar onderwijs, zowel basis- als middelbaar onderwijs, Frans of Nederlands als onderwijstaal gebruiken. Iedere gemeente in Vlaanderen en Wallonië heeft, op enkele uitzonderingen na, dan weer slechts één officiële taal : Nederlands in Vlaanderen en Frans in Wallonië. Deze taal is dus de officiële taal voor alle betrekkingen tussen de overheid en haar burgers en ook de voertaal voor het openbaar onderwijs. De uitzonderingen zijn de negen Waalse gemeenten waar Duits de officiële taal is, twee Waalse gemeenten met faciliteiten voor Duitstalige burgers, vier Waalse gemeenten met faciliteiten voor Nederlandstaligen en twaalf Vlaamse gemeenten, waarvan zes Brusselse randgemeenten, met faciliteiten voor Franstaligen. Deze faciliteiten bestaan uit een beperkt aantal rechten op het gebruik van een tweede taal in administratieve aangelegenheden en onderwijs.

2. Wat zijn de moedertalen van de Brusselse bevolking ?

Van de Middeleeuwen tot de 19e eeuw sprak een overgrote meerderheid van de Brusselse bevolking een dialect van het Nederlands als moedertaal. Het Frans deed haar intrede als exclusieve taal van het gerecht onder de Hertogen van Bourgondië in de 15e eeuw en bleef voornamelijk de taal van de Brusselse elite gedurende de volgende eeuwen. De situatie veranderde na 1830 toen Brussel de hoofdstad werd van een officieel eentalige Franstalige staat en toen lager onderwijs toegankelijk werd voor steeds meer kinderen. Dit leidde tot een geleidelijke verfransing van zowel de oorspronkelijke bevolking als van de Vlaamse inwijkelingen in Brussel. Zelfs na de erkenning van het Nederlands als tweede officiële landstaal in 1898 bleef de verfransing duren, met als gevolg dat het merendeel van de Brusselse bevolking nu het Frans als moedertaal heeft. Maar in de afgelopen decennia heeft de massale immigratie vanuit Europese en niet-Europese landen geleid tot een enorme toename van de talige verscheidenheid.
De meest recente en betrouwbare gegevens zijn gebaseerd op een representatieve steekproef van 2500 officieel geregistreerde volwassen Brusselaars uitgevoerd eind 2011 in het kader van het Taalbarometeronderzoek van de Vrije Universiteit Brussel. Een vergelijking van de resultaten van 2011 met de gegevens verzameld in 2001 en 2006 in onderstaande tabel geeft een overzicht van de evolutie van de verschillende talen die de respondenten opgaven wanneer ze gevraagd werden naar hun thuistaal, hetzij als enige taal of in combinatie met een andere taal.

Moedertaal200120062011
Frans71.076.463.2
Engels2.92.32.5
Nederlands19.315.619.6
Arabisch9.76.921.1
Spaans2.52.93.0
Duits1.61.80.9
Italiaans2.53.22.5

De stijging van het Arabisch naar de tweede plaats (alle varianten samen, maar vooral het Darija of de Marokkaanse variant van het Arabisch) is bijzonder zichtbaar in de jongere generatie : 27% van de 18- tot 24- jarigen heeft het Arabisch als één van hun moedertalen, tegenover 17% voor het Nederlands. Meer dan de helft van de jonge Brusselaars is opgegroeid in een gezin waar twee (49%) of meer (4%) talen gesproken werden. De jongeren die alleen maar het Frans als moedertaal hebben (niet in combinatie met het Nederlands, het Arabisch of een andere taal) maken nu slechts 34% van het totaal uit, vergeleken met 52% tien jaar geleden, en diegenen die alleen maar het Nederlands als moedertaal hebben vertegenwoordigen nu 5% van het totaal, vergeleken met 9% tien jaar geleden. Dit geeft aan dat Brussel lang niet meer een plaats is waar “zuivere” Nederlandse moedertaalsprekers en “zuivere” Franse moedertaalsprekers naast elkaar leven.

3. Welke talen kennen de Brusselaars ?

Niemand kan exact weten hoeveel talen de Brusselaars kennen, maar er moeten er wel honderden zijn. Voor het Taalbarometeronderzoek van 2011 werd aan de respondenten gevraagd welke talen ze goed of zeer goed spreken.

200120062011
Frans95.595.688.5
Engels33.335.429.7
Nederlands33.328.323.1
Arabisch10.16.617.9
Spaans6.97.48.9
Duits7.15.67.0
Italiaans4.75.75.2
Turks3.31.44.5

De meest voorkomende moedertaal in Brussel, het Frans, is ook veruit de dominante taal, als we naar deze cijfers kijken. Anderzijds is het Engels, de tweede taal in Brussel wat vaardigheid betreft, de moedertaal van slechts 2,5% van de bevolking en blijft het Nederlands in derde positie. Maar de kloof met het Arabisch is aan het dichten, al zijn er minder Brusselaars die beweren een goede kennis van het Arabisch te hebben dan diegenen die (een variant van) het Arabisch als moedertaal hebben. Bovendien is de Brusselse bevolking steeds minder vaardig in elk van de drie meest gekende talen in Brussel : 8% heeft geen goede kennis van het Nederlands, Frans of Engels, in vergelijking met 2,5% vijf jaar eerder.

4. Welke plaats heeft taalonderwijs in het leerplan van Franstalige scholen in Brussel ?

De Brusselse scholen die gefinancierd worden door de overheid omvatten zes jaar lager onderwijs en zes jaar secundair onderwijs. Ze vallen onder de bevoegdheid van de Franse Gemeenschap (de Federatie Wallonië-Brussel, ongeveer 80% van de Brusselse leerlingen en ook bevoegd voor het onderwijssysteem in Wallonië) of de Vlaamse Gemeenschap (de Vlaamse overheid, ongeveer 20% van de Brusselse leerlingen en ook bevoegd voor het onderwijssysteem in Vlaanderen). Als gevolg van een wet van 1963 is het onderwijs van de tweede officiële taal verplicht in alle lagere en middelbare scholen van het arrondissement Brussel Hoofdstad en de taalgrensgemeenten met faciliteiten : Nederlands in alle Franstalige scholen en Frans in alle Nederlandstalige scholen.
In de Franstalige lagere scholen in Brussel worden er in het 3e en 4e leerjaar 3 uur per week besteed aan het Nederlands en 5 uur in het 5e en 6e leerjaar, terwijl de scholen in Wallonië amper 2 uur Nederlandse les geven in het 5e en 6e leerjaar. De kennis van het Nederlands wordt niet geëvalueerd voor het getuigschrift basisonderwijs.
Tijdens de eerste twee jaar van het Franstalige secundair onderwijs in Brussel krijgen alle leerlingen 4 uur Nederlands per week (in Waalse scholen kunnen ze Engels kiezen in de plaats van Nederlands). Vanaf het 3e jaar is er een groot verschil tussen de studierichtingen. In het algemeen en technisch onderwijs leren alle leerlingen minstens één extra taal, meestal Engels of Duits, vanaf het 3e jaar en in sommige studierichtingen kunnen de leerlingen een vierde taal kiezen in het 5e en 6e jaar. Afhankelijk van de school worden Engels, Duits, Italiaans, Spaans, Arabisch of Russisch aangeboden. In het beroepsonderwijs daarentegen worden taallessen slechts (in zeer bescheiden mate) gegeven in een paar studierichtingen en meer dan 50% van de leerlingen die beroepsonderwijs gevolgd hebben, hebben noch Nederlands noch Engels geleerd in de loop van vier jaar secundair onderwijs.

5. Welke plaats heeft taalonderricht in het leerplan van Nederlandstalige scholen in Brussel ?

In de Brusselse Nederlandstalige lagere scholen is Frans als tweede taal verplicht vanaf het 3e leerjaar (pas vanaf het 5e leerjaar in Vlaanderen), maar veel Brusselse scholen geven al Franse les vanaf het eerste leerjaar. Op het einde van het basisonderwijs is het de bedoeling dat de leerlingen voor het Frans het niveau A1 van het ERK (Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen) bereiken.
Alle leerlingen in Brusselse Nederlandstalige secundaire scholen zijn verplicht minstens twee talen te leren naast hun moedertaal. In het 1e en 2e jaar krijgen ze drie of vier uur Frans per week en twee uur Engels. Vanaf het 3e jaar worden Frans en Engels minstens 2 uur (maar meestal 3 uur) per week onderwezen. Een vierde taal kan tevens worden gekozen in het 5e en 6e jaar, afhankelijk van hun studierichting (zoals Moderne Talen of Toerisme). De leerlingen kunnen meestal kiezen tussen Duits en Spaans, die dan minstens één uur per week moeten worden onderwezen. Normaal gezien is 20% van het leerplan in het secundair onderwijs gewijd aan taalonderwijs. De doelstelling is dat de leerlingen het niveau B1 van het ERK bereiken voor het Frans en het Engels na zes jaar secundair onderwijs.

6. Welke plaats heeft taalonderwijs in het leerplan van Europese scholen in Brussel ?

Brussel telt momenteel vier permanente Europese scholen – in Ukkel (Brussel 1), in Woluwe (Brussel 2), in Elsene (Brussel 3) en in Laken (Brussel 4) – en één tijdelijke Europese school in Vorst (Berkendael). De taak van Europese scholen bestaat deels uit het aanbieden van een multinationale, multiculturele en meertalige omgeving. Taalonderricht heeft dus een zeer belangrijke plaats in het leerplan. Alle leerlingen leren op zijn minst twee talen naast hun eigen moedertaal.
Na twee jaar kleuteronderwijs (van 4 tot 6 jaar) bestaat het onderwijssysteem van Europese scholen uit vijf jaar lager onderwijs (van 7 tot 11 jaar) en zeven jaar secundair onderwijs (van 12 tot 18 jaar). Alle officiële talen van de Europese Unie worden onderwezen als eerste taal (L1).

Language sections of the European Schools in Brussels - 2013/2014
SchoolBUDEENFRCSDKELESFIHUITLTNLPLPTROSWTotal
BR Ixxxxxxxx8
BR IIxxxxxxxxx9
BR IIIxxxxxxx7
BR IVxxxxxxx7
Totaal1444111211313111131

Er zijn 17 verschillende taalsecties in de Europese scholen van Brussel. Alle vier de scholen bieden een Engelse, Franse en Duitse taalsectie aan, terwijl de andere taalsecties verdeeld zijn over de scholen (zie bovenstaande tabel).

De leerlingen van wie de moedertaal een officiële taal van de Europese Unie is, maar waarvoor er nog geen aparte taalsectie bestaat (Kroatisch, Estlands, Iers, Lets, Maltees, Slovaaks of Sloveens) mogen zich inschrijven in één van de hoofdtaalsecties (Duits, Engels of Frans). De leerlingen zonder eigen taalsectie (SWALS-leerlingen of Students Without A Language Section) worden ook onderwezen in hun L1 aan de hand van specifieke taallessen. Maltese en Ierse leerlingen kunnen ook Maltees of Iers studeren als Andere nationale taal (ONL – Other National Language), en dit al vanaf het kleuteronderwijs.
Het leren van een tweede taal of L2 (Engels, Frans of Duits) is verplicht vanaf het 1e leerjaar. Vanaf het 3e leerjaar kan de L2 ook de onderwijstaal worden tijdens het wekelijkse European Hour (“Europees uur”) en soms ook tijdens de vakken lichamelijke, muzikale en plastische opvoeding. Vanaf het middelbaar worden geschiedenis en aardrijkskunde in de L2 gegeven, net als economie, dat als keuzevak kan worden genomen vanaf het 4e jaar (tijdens deze lessen zijn geen leerlingen aanwezig die de L2 als moedertaal hebben). In de laatste twee jaar van het secundair onderwijs krijgen sommige leerlingen tot 50% van hun lessen in hun L2.
Alle leerlingen moeten een derde taal (L3) leren vanaf het 2e middelbaar. Ze kunnen Latijn kiezen als keuzevak vanaf het 3e jaar en een vierde taal (L4) vanaf het 4e jaar.
De taalklassen bestaan uit leerlingen van verschillende nationaliteiten en de lessen worden meestal gegeven door moedertaalsprekers. Alledaagse interactie op de speelplaats, in de gang en in de ontspanningsruimtes bevordert de verwerving van andere talen en het besef dat het gebruik van andere talen niet alleen onmisbaar is maar ook iets natuurlijks.

7. Zijn er tweetalige scholen in Brussel ?

Echte tweetalige scholen Tweetalig onderwijs in een officieel tweetalige stad lijkt logisch. Het is al een feit in Barcelona met het Catalaans en het Spaans, en ook in het Groothertogdom Luxemburg waar het Luxemburgisch, het Duits en het Frans naast elkaar gebruikt worden als onderwijstalen naargelang de fase in de opleiding. In Brussel zijn er strikt genomen echter geen door de overheid gefinancierde tweetalige scholen, omdat die dan georganiseerd en gefinancierd zouden moeten worden door de twee Gemeenschappen. Toch is er vraag naar, zoals blijkt uit het toenemende aantal Franstalige ouders die hun kinderen in Nederlandstalige scholen inschrijven en uit opinieonderzoeken die aangeven dat het merendeel van de Brusselse bevolking tweetalig onderwijs ondersteunt. Kort na zijn eedaflegging als minister-president in mei 2013 verklaarde Rudi Vervoort dat hij vastberaden was om te “vechten voor tweetalig onderwijs”. Om belangrijke stappen in deze richting te kunnen zetten, moeten echter verschillende politieke problemen overwonnen worden, zoals een nauwere samenwerking tussen de twee Gemeenschappen en de aanwerving van genoeg leerkrachten met de vereiste kwalificaties om verschillende zaakvakken in het Nederlands te geven.

Immersie in het Franstalig onderwijs De zogenoemde immersiescholen kunnen worden beschouwd als een bescheiden variant van het tweetalig onderwijs. Strikt genomen, onder de Belgische wet, kunnen deze scholen niet gefinancierd worden door de overheid, aangezien de gefinancierde scholen onder de bevoegdheid vallen van de Gemeenschappen, elk gekenmerkt door hun eigen onderwijstaal – het Nederlands, het Frans en het Duits. Niettemin heeft de Franse Gemeenschap in 1998 een decreet aanvaard dat scholen toelaat om zich om te vormen tot immersiescholen. Het onderwijs van bepaalde vakken in een andere taal wordt voorgesteld als een manier om deze taal te oefenen, in plaats van ze echt als tweede onderwijstaal te beschouwen. In 2011-2012 boden 158 van de lagere scholen (10 in Brussel) enkele vakken aan in het Nederlands of in het Engels, net als 98 secundaire scholen (waarvan 17 in Brussel) (zie lijst - site enkel in het Frans). In het Brusselse basisonderwijs en in de eerste twee jaar van het secundair onderwijs worden die vakken altijd in het Nederlands gegeven. Later kunnen de leerlingen normaal gezien ook Engels kiezen, maar het aanbod is tot nu toe erg schaars (zie lijst - site enkel in het Frans). Het onderwijs in de tweede taal varieert van 8 tot 18 uur per week. Ondanks de aandacht voor immersieonderwijs blijft dit iets uitzonderlijks in de Franse Gemeenschap. In Wallonië betreft het ongeveer 5% van de leerlingen van het lager onderwijs, met een piek van 11,2% in Waals Brabant. In Brussel is het percentage slechts 1,2%.

Immersie in het Nederlandstalig onderwijs De Vlaamse Gemeenschap neemt officieel een terughoudendere houding aan tegenover immersieonderwijs, vooral in en rond Brussel. De officiële reden hiervoor is dat een groot deel van de leerlingen in de Brusselse Nederlandstalige scholen niet het Nederlands als moedertaal hebben. Voor hen is de Nederlandstalige school al een vorm van submersie. Omdat een belangrijk deel van de leerlingen het Frans als moedertaal hebben, zou het leren van het Nederlands kunnen worden benadeeld als het Frans gebruikt wordt als extra onderwijstaal, met als gevolg dat ze het vereiste niveau niet bereiken om te slagen in het secundair en hoger onderwijs. Ondanks deze bedenkingen boden sommige scholen tot 2011 een vorm van immersieonderwijs aan in het Italiaans en het Spaans, een initiatief van de Molenbeekse vereniging Foyer, en het experimenteren gaat verder in een handvol scholen onder het STIMOB-project (Stimulerend Meertalig Onderwijs Brussel). Het Vlaams Parlement besloot tevens op 10 juli 2013 om immersie in het secundair onderwijs toe te laten, zowel in Vlaanderen als in Brussel, zij het onder bepaalde voorwaarden.

8. Zijn er meertalige media in Brussel ?

Audiovisuele media De lokale TV-zenders zijn TéléBruxelles (in het Frans) en TV Brussel (hoofdzakelijk in het Nederlands, maar werkt tot op een zekere hoogte in drie talen). De Nederlandse programma’s worden ondertiteld in het Frans en het Engels en de Frans- en Engelstalige interviews worden ondertiteld in de twee respectievelijke andere talen. Er zijn verscheidene radiozenders in het Frans, het Nederlands of in andere talen. FM Brussel biedt zowel Nederlands- als Franstalige programma’s aan. Het radiostation BXFM richt zich op de “Eurobrusselaars” en biedt programma’s aan in het Frans, Engels, Italiaans en Spaans.

Geschreven pers Brussel heeft geen lokaal dagblad, maar de Franstalige nationale dagbladen bevatten pagina’s over Brussel en één dagblad startte een website in het Engels op : Le Soir in English. De Nederlandstalige weekkrant Brussel Deze Week biedt wekelijks een overzicht van het culturele aanbod in Brussel (Agenda) en een driemaandelijkse culturele editie voor de Brussels kinderen (Kidsgazette) wordt aangeboden in het Nederlands, het Frans en het Engels.

Online In Brussel, net als in andere steden, wordt de traditionele geschreven en audiovisuele pers aangevuld en deels vervangen door websites en blogs, vaak actief in twee, drie of meer talen.

NOTA :
De antwoorden op de vragen onder de vijf kopjes op onze hoofdpagina geven de overtuigingen weer waarop het Marnixplan gebaseerd is. Een aantal hiervan zijn algemeen aanvaard, andere zijn eerder controversieel. Onderbouwde kritiek is zeker welkom (op info@marnixplan.com) en kan ons helpen om tot nieuwe inzichten te komen. Het succes van het Marnixplan is verankerd in een heldere analyse van de wereld zoals ze is en in de hoop die deze wereld creëert, maar ook in de obstakels die deze wereld op ons pad brengt.

We willen onze bijzondere dank betuigen aan Hugo Baetens Beardsmore, Nicole Bya, Grégor Chapelle, Bastien De Clercq, Rudolf De Smet, Aafke Buyl, Manon Buysse, Dany Etienne, Katja Lochtman, Rudi Janssens, Kari Kivinen, Johan Leman, Silvia Lucchini, Jessica Mathy, Françoise Pissart, Hannelore Simoens en Marianne van de Graaff voor hun nuttige bijdragen en feedback, aan Jolien De Paepe en Diederik Vandendriessche voor de Nederlandse vertaling van het Engelstalige origineel, en aan Sophie Dehareng en Amélie Lelangue voor de Franse vertaling.

De eindverantwoordelijkheid voor de formulering van deze vragen en antwoorden ligt evenwel volledig bij ons.

Alex Housen, Anna Sole-Mena, Philippe Van Parijs,
coördinatoren van het Marnixplan.